Een dag op de boerderij
Vraagstukken-Kit Β· 3de leerjaar Β· week 0 (gratis proefpakket) Β· thema: Een dag op de boerderij
Naam:Datum:
Strategie van de week: Lees twee keer en duid aan wat je zoekt
Lees de opgave eerst rustig door en probeer te begrijpen wat er gevraagd wordt. Lees daarna de tekst opnieuw en duid aan welke gegevens belangrijk zijn voor het antwoord.
1.getalbegrip Β· βββ
Op de boerderij zijn er 12 koeien, 25 schapen, 18 kippen en 10 varkens.
Hoeveel dieren zijn er samen op de boerderij?
Antwoord: dieren
2.bewerkingen Β· βββ
Op de boerderij plukt Amira 7 manden appels. In elke mand zitten 9 appels. Ze geeft 15 appels aan haar buren.
Hoeveel appels houdt Amira zelf over?
Antwoord: appels
3.meten en metend rekenen Β· βββ
De boer meet de lengte van de schuur: 420 cm. De stal is 580 cm lang.
Hoeveel meter zijn de schuur en de stal samen?
Antwoord: meter
4.getalbegrip Β· βββ
Op de boerderij van Lars wonen er 48 vogels, 27 konijnen, 35 varkens en 12 honden. Lars telt alle dieren die geen vogels zijn.
Hoeveel dieren zijn dat samen?
Antwoord: dieren
5.meten en metend rekenen Β· βββ
Yusuf begint om 9.00 uur hooi te pakken. Hij werkt 95 minuten aan het hooi.
Hoe laat is Yusuf klaar met werken? Geef het tijdstip in uren en minuten.
Antwoord: uur
6.bewerkingen Β· βββ
Fien koopt 8 melkflessen. EΓ©n fles kost β¬β―1,25. Ze betaalt met een briefje van β¬β―15.
Hoeveel euro krijgt Fien terug?
Antwoord: euro
7.meten en metend rekenen Β· βββ
Op de boerderij ligt 25 kilogram aardappelen en daarnaast nog 500 gram aardappelen.
Hoeveel kilogram aardappelen zijn er samen? Geef het antwoord in kilogram met decimalen.
Antwoord: kilogram
8.bewerkingen Β· βββ
De boer plukt 20 manden aardbeien. Hij verkoopt een kwart van de manden op de markt. Hij verkoopt ook nog 5 manden aan vrienden.
Hoeveel manden aardbeien houdt de boer zelf over?
Antwoord: manden
9.getalbegrip Β· βββ
Op de boerderij zijn 135 kippen. De boer verkoopt 48 kippen. Er zijn ook nog 3 honden op de boerderij.
Hoeveel kippen blijven er op de boerderij?
Antwoord: kippen
10.meten en metend rekenen Β· βββ
De boer wil een hek plaatsen rondom een rechthoekige heuvel van 350 cm lang en 180 cm breed.
Hoeveel centimeter hek heeft hij nodig?
Antwoord: centimeter
11.meten en metend rekenen Β· βββ
Elif begint met maaien om 8.00 uur. Ze werkt 125 minuten en neemt dan een pauze van 20 minuten.
Hoe laat is Elif klaar met maaien en pauze samen?
Antwoord: uur
Antwoordsleutel voor ouders β Een dag op de boerderij
3de leerjaar Β· week 0 Β· Een dag op de boerderij
Deze week oefenen we met realistische problemen rond boerderijactiviteiten. We focussen op rekenen met getallen tot duizend, geld, tijd en meten.
Strategie van de week: Lees twee keer en duid aan wat je zoekt
Lees de opgave eerst rustig door en probeer te begrijpen wat er gevraagd wordt. Lees daarna de tekst opnieuw en duid aan welke gegevens belangrijk zijn voor het antwoord.
Algemene aanpak (zoals op school): 1) lees en zeg in eigen woorden wat gevraagd wordt; 2) schrijf de gegevens op of maak een schets; 3) kies de bewerking(en); 4) reken; 5) controleer of het antwoord kan kloppen.
1.getalbegrip Β· optellen en aftrekken tot 1000 Β· βββ
Op de boerderij zijn er 12 koeien, 25 schapen, 18 kippen en 10 varkens. Hoeveel dieren zijn er samen op de boerderij?
Antwoord: 65 dieren
Stap voor stap- Tel eerst de koeien en schapen bij elkaar: 12 + 25 = 37.
- Tel daarna de kippen en varkens bij elkaar: 18 + 10 = 28.
- Tel nu alles samen: 37 + 28 = 65.
β Controle: Tel de aantallen dieren per soort en controleer of de optelling klopt.
Zo leg je het uit: Laat je kind eerst alle dieren onder elkaar schrijven en daarna stap voor stap optellen.
Let op: Soms vergeten kinderen één diersoort mee te tellen.
2.bewerkingen Β· maal- en deeltafels tot 10 Β· βββ
Op de boerderij plukt Amira 7 manden appels. In elke mand zitten 9 appels. Ze geeft 15 appels aan haar buren. Hoeveel appels houdt Amira zelf over?
Antwoord: 48 appels
Stap voor stap- Bereken eerst het totaal aantal appels: 7 Γ 9 = 63.
- Trek daarna de appels die ze weggeeft af: 63 β 15 = 48.
β Controle: Controleer door eerst te vermenigvuldigen en dan te verminderen.
Zo leg je het uit: Teken de manden met appels en streep de appels die weggegeven worden door.
Let op: Soms trekken kinderen af voordat ze vermenigvuldigen, dan klopt het niet.
3.meten en metend rekenen Β· lengte meten en omrekenen cm en m Β· βββ
De boer meet de lengte van de schuur: 420 cm. De stal is 580 cm lang. Hoeveel meter zijn de schuur en de stal samen?
Antwoord: 10 meter
Stap voor stap- Tel eerst de lengtes in cm bij elkaar: 420 + 580 = 1000.
- Zet daarna de totale lengte om naar meter: 1000 cm = 10 m.
β Controle: Tel de lengtes in centimeters op en deel door honderd voor meters.
Zo leg je het uit: Leg uit dat honderd centimeter gelijk is aan één meter.
Let op: Soms vergeten kinderen om te rekenen van cm naar m.
4.getalbegrip Β· vergelijken en optellen Β· βββ
Op de boerderij van Lars wonen er 48 vogels, 27 konijnen, 35 varkens en 12 honden. Lars telt alle dieren die geen vogels zijn. Hoeveel dieren zijn dat samen?
Antwoord: 74 dieren
Stap voor stap- Tel eerst het aantal konijnen en varkens bij elkaar op: 27 + 35 = 62.
- Tel daarna het aantal honden erbij: 62 + 12 = 74.
β Controle: Schatting: 30 + 35 = 65 en dan nog 12 erbij is ongeveer 77, dus 74 is logisch.
Zo leg je het uit: Laat je kind de dieren die geen vogels zijn onder elkaar zetten en dan telkens optellen. Zo worden geen dieren vergeten.
Let op: Sommige kinderen tellen per ongeluk ook de vogels mee, terwijl alleen de andere dieren gevraagd zijn.
5.meten en metend rekenen Β· tijd berekenen, duur in minuten Β· βββ
Yusuf begint om 9.00 uur hooi te pakken. Hij werkt 95 minuten aan het hooi. Hoe laat is Yusuf klaar met werken? Geef het tijdstip in uren en minuten.
Antwoord: 10.35 uur
Stap voor stap- Tel de werkduur op bij het starttijdstip: 9.00 uur + 95 = 10.35 uur.
β Controle: Tel de starttijd en duur in minuten op om het eindtijdstip te vinden.
Zo leg je het uit: Vertaal het aantal minuten naar uren en minuten (635 min = 10 uur 35 min).
Let op: Soms wordt de duur niet bij het starttijdstip opgeteld.
6.bewerkingen Β· optellen en aftrekken met geld Β· βββ
Fien koopt 8 melkflessen. EΓ©n fles kost β¬β―1,25. Ze betaalt met een briefje van β¬β―15. Hoeveel euro krijgt Fien terug?
Antwoord: β¬β―5
Stap voor stap- Bereken eerst de totale prijs: 8 Γ β¬β―1,25 = 10.
- Trek dat af van het betaalde bedrag: β¬β―15 β 10 = β¬β―5.
β Controle: Vermenigvuldig het aantal flessen met de prijs en trek dat af van het betaalde bedrag.
Zo leg je het uit: Teken het geld en de flessen, reken stap voor stap.
Let op: Soms wordt alleen de prijs van één fles afgetrokken.
7.meten en metend rekenen Β· massa kg en g Β· βββ
Op de boerderij ligt 25 kilogram aardappelen en daarnaast nog 500 gram aardappelen. Hoeveel kilogram aardappelen zijn er samen? Geef het antwoord in kilogram met decimalen.
Antwoord: 25,5 kilogram
Stap voor stap- Zet eerst de gram om naar kilogram: 500 g = 0,5 kg.
- Tel daarna de kilo's bij elkaar: 25 + 0,5 = 25,5.
β Controle: Zet gram om naar kilogram en tel erbij op.
Zo leg je het uit: Leg uit dat 1000 gram gelijk is aan 1 kilogram.
Let op: Soms worden gram en kilogram bij elkaar opgeteld zonder omrekening.
8.bewerkingen Β· eenvoudige breuken van een hoeveelheid Β· βββ
De boer plukt 20 manden aardbeien. Hij verkoopt een kwart van de manden op de markt. Hij verkoopt ook nog 5 manden aan vrienden. Hoeveel manden aardbeien houdt de boer zelf over?
Antwoord: 10 manden
Stap voor stap- Bereken het kwart van de manden: een kwart van 20 = 5.
- Tel het aantal verkochte manden bij elkaar: 5 + 5 = 10.
- Trek het totaal verkochte af van het totaal: 20 β 10 = 10.
β Controle: Bereken eerst het kwart, tel dan alles wat verkocht wordt en trek af.
Zo leg je het uit: Teken twintig manden en streep de verkochte manden af.
Let op: Sommige kinderen rekenen niet met breuken maar met hele getallen zonder verband.
9.getalbegrip Β· optellen en aftrekken tot 1000, overbodig gegeven Β· βββ
Op de boerderij zijn 135 kippen. De boer verkoopt 48 kippen. Er zijn ook nog 3 honden op de boerderij. Hoeveel kippen blijven er op de boerderij?
Antwoord: 87 kippen
Stap voor stap- Trek het aantal verkochte kippen af van het totaal: 135 β 48 = 87.
β Controle: Trek het aantal verkochte kippen af van het totaal aantal kippen.
Zo leg je het uit: Leg uit dat de honden niet meetellen voor het antwoord.
Let op: Kinderen gebruiken soms het aantal honden bij de berekening, wat niet nodig is.
10.meten en metend rekenen Β· omtrek van rechthoek Β· βββ
De boer wil een hek plaatsen rondom een rechthoekige heuvel van 350 cm lang en 180 cm breed. Hoeveel centimeter hek heeft hij nodig?
Antwoord: 1060 centimeter
Stap voor stap- Bereken eerst de som van lengte en breedte: 350 + 180 = 530.
- Vermenigvuldig dat met twee om de omtrek te vinden: 530 Γ 2 = 1060.
β Controle: Tel lengte en breedte op en vermenigvuldig met twee voor de omtrek.
Zo leg je het uit: Teken de rechthoek en leg het hek rond de vier zijden uit.
Let op: Sommige kinderen vergeten te vermenigvuldigen met twee.
11.meten en metend rekenen Β· tijd en duur, meerdere stappen Β· βββ
Elif begint met maaien om 8.00 uur. Ze werkt 125 minuten en neemt dan een pauze van 20 minuten. Hoe laat is Elif klaar met maaien en pauze samen?
Antwoord: 10.25 uur
Stap voor stap- Bereken het einde van het maaien: 8.00 uur + 125 = 605.
- Tel de pauze erbij: 605 + 20 = 10.25 uur.
β Controle: Tel de werktijd op bij het starttijdstip en daarna de pauze erbij.
Zo leg je het uit: Vertaal minuten naar uren en minuten (625 min = 10 uur 25 min).
Let op: Soms vergeten kinderen de pauze bij de eindtijd op te tellen.